Gebit

Werkstukken en spreekbeurten

Je tanden en kiezen zijn hard van de buitenkant. Maar vanbinnen zijn ze zacht. Waarvoor gebruik je je gebit?

Gebit

Als baby krijg je melktanden en een paar melkkiezen. Deze blijven niet altijd in je mond. Als je groeit, heb je een groter gebit nodig. Je verwisselt je melkgebit voor grotere tanden en kiezen. Dat doe je tussen je zesde en je twaalfde jaar. Je krijgt er ook nog nieuwe tanden en kiezen bij. De grotere en nieuwe zijn je échte tanden en kiezen. Je moet er de rest van je leven mee doen. Je noemt dat het blijvend gebit. Er zijn verschillende soorten tanden:

  • snijtanden, om kleine stukjes van je eten af te bijten;
  • hoektanden, die het eten kunnen scheuren;
  • kiezen, die je eten fijnmalen.

Vanbuiten en vanbinnen

Tanden en kiezen zijn hard van de buitenkant. Ze horen bij je skelet. Met je tanden en kiezen maal je eten fijn. Dan kun je het beter doorslikken. Er zit een harde laag glazuur om tanden en kiezen. Die beschermt de zachte, gevoelige binnenkant. Daar zitten bloedvaatjes en gevoelige zenuwen. In het spuug in je mond zitten bacteriën. Dat zijn piepkleine beestjes. Je kunt ze niet met het blote oog zien. Die bacteriën kunnen van etensresten zure tandplak maken. Dit zuur kan gaatjes in je tandglazuur bijten. Dan krijg je kiespijn. Als je je tanden poetst, maak je het glazuur sterker. Dat moet elke dag twee keer.